Potloodtekening van Villa da Filicaja

Legende en geschiedenis

De geschiedenis van Filicaja

Filicaja is een gehucht in de gemeente Montaione, waar legende en archiefstukken samenkomen: van de legendarische oorsprong van de naam tot de akte waarmee de familie da Filicaja het landgoed in 1452 verwierf.

Luchtfoto van de Tenuta da Filicaja, tussen wijngaarden, olijfgaarden en cipressen

De legende

Filli mia bella

Volgens de legende bevrijdde een jonge edelman uit Volterra, Ajone genaamd, een meisje met de naam Figline, dat was ontvoerd door een zekere Gambasso. Hij trouwde met haar en stichtte zowel het dorp Monte Ajone – waarvan de huidige naam Montaione zou zijn afgeleid – als het kasteel van Figline. Tussen de nakomelingen van Ajone en Gambasso bestond lange tijd een felle rivaliteit (ook historisch gezien zijn de naburige plaatsen Montaione en het huidige Gambassi Terme elkaars rivalen). Volgens een andere, onbevestigde hypothese zou de naam Montaione verwijzen naar Allone, de laatste of voorlaatste Longobardische hertog van Lucca, en naar een plaats met de naam Mons Allonis. Het is een tot de verbeelding sprekende band met het Longobardische Toscane, maar historische documenten bevestigen die niet.

Generaties later werd het kasteel verwoest door een vijandelijk leger. De bewoners, die weer tot afgoderij waren vervallen, besloten het mooiste meisje van het dorp, Filli, aan de goden te offeren. Een ontzette Florentijnse ridder snelde haar te hulp en liet in haar plaats een vaars offeren – vandaar zijn bijnaam „Sire della Vitella” (Heer van de vaars). Filli en haar redder trouwden en bouwden het kasteel weer op. De ridder was zo verliefd dat hij haar voortdurend „Filli mia bella” (mijn mooie Filli) en „Filli cara” (lieve Filli) noemde: uit deze woorden zou de naam „Fillicara” zijn ontstaan, die later „Filicaja” werd.

In 1623 vertelde Michelangelo Buonarroti il Giovane, die te gast was bij de familie da Filicaja, de legende in zijn korte gedicht l'Ajone, waarin hij zich voorstelde dat zelfs uit de fonteinen in het paleis van de familie wijn stroomde:

«...dove si sguazza, e mangia altro che ghiande,
e d'un buon vino vi beon le pile...»

(„...waar men smult en eet, heel wat beters dan eikels, / en waar zelfs de fonteinbekkens goede wijn drinken...”)
— Michelangelo Buonarroti il Giovane, l'Ajone, 1623

Flessen en wijnglazen klaar voor een proeverij in de wijnkelder

De historische feiten

Van de oorsprong tot de renaissance

De vroegste vermeldingen van een kasteel genaamd Figline op deze plek dateren van het begin van de twaalfde eeuw, misschien precies waar Villa da Filicaja nu staat, al menen sommige onderzoekers dat de oorspronkelijke vesting enkele honderden meters zuidelijker lag. Het kasteel werd in 1297 verwoest en later herbouwd met onder meer materiaal van een laat-Romeinse villa, waarvan de resten, met sporen van mozaïeken, op ongeveer een kilometer afstand liggen. Deze oorsprong heeft, samen met een kleine fout die door een toeristische gids uit de jaren dertig van de twintigste eeuw werd verspreid, in de loop der tijd tot meerdere historische misverstanden geleid, waaronder de mythe van een „Villa Medicea” die hier nooit heeft bestaan.

De naam zelf maakt het nog ingewikkelder: het huidige plaatsje Figline ligt ongeveer vierhonderd meter ten zuiden van Filicaja, en er wordt nog altijd gediscussieerd of het werkelijk overeenkomt met de plek van het middeleeuwse kasteel. In het kerkje van Sant'Antonino, gewijd aan de beschermheilige van het gehucht, herinnert een bas-reliëf nog altijd aan een wonder uit de plaatselijke overlevering: de opwekking uit de dood van een jongen uit de familie da Filicaja.

De banden van de familie met het militaire en politieke leven van Florence zijn gedocumenteerd vanaf de renaissance. In 1503, tijdens de oorlog tegen Pisa, vroeg de Florentijnse regering Leonardo da Vinci, Gerolamo da Filicaja en Alessandro degli Albizzi om het omleiden van de Arno te onderzoeken: een plan dat nooit werd uitgevoerd. Antonio da Filicaja (1455–1526) wijdde zich daarentegen aan militaire veldtochten, ook op zee, tegen Pisaanse strooptochten, en op 8 juni 1509 trok hij als overwinnaar Pisa binnen, samen met Averardo Salviati en Niccolò Capponi, aan het hoofd van zijn eigen troepen, die gelegerd waren in het kasteel van Filicaja zelf.

Gevel van het Palazzo da Filicaja aan de Borgo degli Albizi in Florence, met de buste van Vincenzo da Filicaja boven de ingang
Het Palazzo da Filicaja aan de Borgo degli Albizi, Florence.
De villa da Filicaja in Santa Lucia, vlak bij Prato, tussen olijfbomen en cipressen
De villa da Filicaja in Santa Lucia, Prato.

De familie

In dienst van Florence

Terwijl in Filicaja wijngaarden en olijfgaarden werden bewerkt, speelde de familie in Florence een vooraanstaande rol in het leven van de Republiek. Alessandro da Filicaja (1429–1512), die in 1467 en 1474 het ambt van Gonfaloniere di Giustizia bekleedde, was bevriend met Lorenzo il Magnifico. In diezelfde periode, in 1452, kocht Ser Giovanni da Filicaja de eerste gronden voor het landgoed van de familie Figlinesi. Later, onder het groothertogdom, bekleedden leden van de familie da Filicaja vijfmaal een zetel in de Senaat.

Zoals veel Florentijnse families waren de da Filicaja ook kooplieden, met een handelshuis in Lissabon. In de stad woonde de familie in het palazzo aan de Borgo degli Albizi, gebouwd tussen de veertiende en de zestiende eeuw; op het platteland bezat zij, naast Filicaja, de villa in Santa Lucia, vlak bij Prato. Hun wapen – in goud drie rode kepers – is nog altijd te zien op de Palazzi Pretori van veel Toscaanse steden, van Volterra tot Arezzo en van Pistoia tot Scarperia, waar leden van de familie podestà en vicaris waren. In de zestiende eeuw verbond de familie zich door huwelijken met de Capponi en de Della Rovere.

Gezicht op Lissabon in 1572 vanaf de Taag, met schepen in de haven en het wapen van Portugal
Lissabon in 1572, uit de Civitates Orbis Terrarum van Braun en Hogenberg.
Het witte fort van Monserrate in Salvador da Bahia, met de wachttorens en het huis van de commandant
Het fort van Monserrate in Salvador da Bahia, ontworpen door Baccio da Filicaja.

Tussen Florence en de Nieuwe Wereld

Baccio da Filicaja, ingenieur in Brazilië

Het handelshuis in Lissabon was ontstaan dankzij een overeenkomst tussen groothertog Francesco I de' Medici en koning Sebastiaan van Portugal, waardoor de familie er paleizen en pakhuizen kon kopen voor de handel met de Amerika's. Aan het eind van de zestiende eeuw moest het handelshuis van de da Filicaja in Lissabon zijn deuren sluiten, tijdens de moeilijke jaren na 1580, toen Portugal onder de Spaanse kroon kwam. Van het Lissabon van toen is weinig over: de koopmanswijk met de Rua Nova dos Mercadores werd verwoest door de aardbeving van 1755, waarna de markies van Pombal de stad vrijwel volledig liet herbouwen.

Een van de opmerkelijkste avonturen in de familiegeschiedenis begon bij dat handelshuis. Baccio da Filicaja, geboren in Florence tussen 1565 en 1575, had er als jongeman vier jaar gewerkt. Na zijn terugkeer in Florence wijdde hij zich aan wiskunde, architectuur, artillerie en kosmografie. In 1597 werkte hij in Brazilië als engenheiro-mor, hoofdingenieur van de Portugese kolonie, in dienst van gouverneur Francisco de Sousa: hij herstelde de forten, versterkte de havens, voerde het bevel over de artillerie en vergezelde de gouverneur bij de zoektocht naar goud- en zilvermijnen.

In 1603 nam hij deel aan de expeditie van Pero Coelho de Sousa naar Maranhão en bouwde hij in hetzelfde jaar samen met de jezuïet Francisco Dias en ingenieur Geraldo Betting de kerk Nossa Senhora de Monte Serrat in Salvador da Bahia. Daarnaast ontwierp hij op een landtong die uitkijkt over de baai het fort van Monserrate, dat er nog steeds staat. In 1608 schreef hij aan groothertog Ferdinando I over zijn verrichtingen; zijn brieven worden bewaard in het Medici-archief in Florence. Het laatste bericht over hem dateert uit 1628, uit Bahia.

Marmeren buste van Vincenzo da Filicaja met een lange pruik, in een ovale nis
De buste van Vincenzo da Filicaja op de gevel van het palazzo aan de Borgo degli Albizi.

De dichter

Vincenzo da Filicaja

Het beroemdste lid van de familie is Vincenzo da Filicaja (Florence, 1642–1707), een van de belangrijkste Italiaanse dichters van zijn tijd. Hij was lid van de Accademia della Crusca en van de Arcadia, waar hij bekendstond als Polibo Emonio. In heel Europa werd hij beroemd door zijn gedichten over het ontzet van Wenen tijdens het Turkse beleg van 1683; zijn sonnetten over Italië werden tot ver in de negentiende eeuw gelezen en vertaald. Cosimo III de' Medici benoemde hem in 1695 tot senator en daarna tot gouverneur van Volterra (1696) en Pisa (1700). Wanneer hij kon, trok hij zich terug in Filicaja, weg van de verplichtingen aan het hof. Hij trouwde met Anna Capponi en was bevriend met de wetenschapper Francesco Redi en met koningin Christina van Zweden, die hem in 1687 hielp de opleiding van zijn zoon Braccio aan het Collegio Tolomei in Siena te bekostigen.

Hij stierf in 1707 in Florence en werd begraven in de familiekapel, gewijd aan San Giuliano, in de kerk San Pier Maggiore, waar zijn zoon Scipione een monument voor hem liet oprichten. In 1751 liet Scipione daar ook een schilderij van Francesco Conti plaatsen, Sant'Antonino resuscita un fanciullo da Filicaja: hetzelfde wonder dat wordt herdacht op het bas-reliëf in het kerkje van Sant'Antonino, hier in het gehucht.

De kerk San Pier Maggiore bestaat niet meer. In september 1783 stortte plotseling een van de zuilen in, waarbij een kern van hout zichtbaar werd; in 1784 liet groothertog Pietro Leopoldo de kerk afbreken. Alleen de bogen van de portiek zijn bewaard gebleven, bekend als de Arco di San Pierino. De nagedachtenis van de dichter wordt nu levend gehouden door een cenotaaf in de basiliek Santa Croce.

Salon in Villa da Filicaja, met beschilderd gewelf, het familiewapen en antiek meubilair

Van de 16e eeuw tot nu

Een familiehuis, altijd bewoond

Door de eeuwen heen werd het gehucht meerdere keren verbouwd voordat het zijn huidige aanzien kreeg. Villa da Filicaja heeft nog een middeleeuwse oostgevel en een tweede gevel op het noorden in laat-zestiende-eeuwse stijl, die echter pas in 1906 werd gebouwd. Tussen 1900 en 1908 liet graaf Andrea da Filicaja Dotti het interieur ingrijpend verbouwen om zeventiende-eeuwse vertrekken na te bootsen: hij liet zeilgewelven aanbrengen in plaats van de oorspronkelijke cassetteplafonds en deelde de vertrekken opnieuw in naar de smaak van die tijd.

Het gehucht is in handen gebleven van dezelfde familie, die tegenwoordig wordt vertegenwoordigd door de graven Nardi-Dei da Filicaja, en was ook de woonplaats van de dichter Vincenzo da Filicaja. Tot de familie behoorde ook Andrea Dotti (1938–2007), de arts die in 1969 trouwde met Audrey Hepburn. Decennialang vertelden sommige lokale gidsen de legende dat groothertog Cosimo III de' Medici het gehucht aan de dichter zou hebben geschonken, maar dat verhaal bleek ongegrond. Pas in 2003 kregen historici toegang tot het privéarchief van de familie en vonden zij de oorspronkelijke koopakte terug: het landgoed was op 21 juni 1452 door Ser Giovanni di Simone da Filicaja aangekocht van de familie Figlinesi. Dit document bewijst dat het landgoed al lang vóór de geboorte van de dichter in het bezit was van de da Filicaja en maakt zo, na eeuwen, de werkelijke herkomst van het landgoed duidelijk.

De oorsprong van de naam

Van Figline naar Filicaja

De plaats heette oorspronkelijk Figline, of Castello di Figline. Met de komst van de familie werd het Filicaja, of Al Filicaja – maar door de eeuwen heen werd het landgoed ook Fattoria S. Antonio genoemd (naar het kerkje dat aan de heilige was gewijd) of Tenuta Al Filicaja, en soms werd zelfs de villa Villa S. Antonio genoemd, afhankelijk van de periode en de eigenaar. De familie zelf, die tot het midden van de dertiende eeuw bekendstond als „della Vitella” (of „Tebaldi”, of „d'Aquona”) en aan het eind van de elfde eeuw vanuit het kasteel van Quona over het gebied rond Pontassieve heerste, nam met de opkomst van de Florentijnse Republiek de naam „da Filicaja” aan, om niet als adellijk te worden beschouwd en zo bestuursambten te kunnen bekleden: met succes, want tussen 1284 en 1523 leverde de familie de Republiek twaalf Gonfalonieri en zesenzestig Priori.

Ook in de twintigste eeuw hing de naam van de plaats vaak af van wie erover schreef – en zelfs van de eigenaar zelf: er wordt verteld dat Andrea da Filicaja Dotti aan het begin van de eeuw gewoonlijk „Villa da Filicaja” gebruikte voor de villa en „Tenuta Al Filicaja” voor het landgoed, maar overstapte op „Villa S. Antonio” in zijn briefwisseling met de Kerk of de gemeente; op de wijnetiketten stond het landgoed als „Tenuta Al Filicaja del Conte da Filicaja Dotti”, terwijl de rekeningboeken van de familie eenvoudigweg spraken over de „Fattoria di Figline in Val d'Elsa”. Deze wisselende benamingen laten, meer nog dan officiële documenten, zien hoe de band tussen de familie en deze plek door de eeuwen heen in de eerste plaats persoonlijk was.

Producten

De wijnen van Filicaja

Van de Chianti uit Toscane tot de grote Italiaanse wijnappellaties: elke wijn weerspiegelt het karakter van zijn herkomstgebied.